|
Streng etiket helpt allergische klant maar weinig
(NRC, 19 januari 2006)
Nieuwe Europese regels over
informatie op voedseletiketten bieden geen uitkomst voor de klant
met allergie. Albert Heijn moest onlangs producten uit het schap
halen. Door Inger Kuin
Leiden, 19 jan. Geralda Odinot
hoopte dat de oplossing uit Brussel zou komen. Ze heeft last van
ernstige voedselallergie en moet, om boodschappen te kunnen doen,
precies weten wat er in een product zit. Eind november vorig jaar
werd een Europese richtlijn van kracht die fabrikanten verplicht
alle ingrediënten, hoe klein het bestanddeel ook is, op de
verpakking van hun product te vermelden. Maar: „De maatregel
heeft niet de oplossing gebracht waar ik op gehoopt had”,
vertelt Odinot.
„Dit hele schap kunnen
we wel vergeten”, zegt Martijn Jansen, echtgenoot van Odinot.
Samen met zijn vrouw staat hij in de Albert Heijn voor de kant-en-klaarmaaltijden.
Hier staat op alle verpakkingen sinds kort dat er sporen van noten,
melk of schaal- en schelpdieren in kunnen zitten. Alledrie schadelijk
voor Odinot.
Jansen is zelf niet allergisch,
maar houdt zich, uit praktische overwegingen, aan hetzelfde strenge
dieet als zijn vrouw. Hij alarmeerde onlangs Albert Heijn over onjuiste
productinformatie. De supermarktketen trok daarop dertien producten
terug.
Geralda Odinot is al vijftien
jaar allergisch. Naast alle soorten koemelkeiwitten, zaden, noten
en schaal- en schelpdieren wordt ze ziek van de veelgebruikte smaakversterker
E620 en van cacao. Na het eten van noten zwelt haar keel op en kan
ze stikken. Van de andere stoffen krijgt ze eczeem, keelklachten
en „algehele malaise”.
Nu Odinot haar eerste kind
verwacht, heeft ze op advies van haar allergoloog een nog beperkter
dieet. Nu eet ze bijvoorbeeld ook geen eieren. Dit om de kans dat
haar kind ook allergisch wordt te beperken. De kans dat dit toch
gebeurt ligt rond de 60 procent.
Tot eind vorig jaar hoefden
producenten ingrediënten alleen op de verpakking te vermelden
als ze meer dan 25 procent van het product uitmaakten.
Voor mensen met voedselallergie
kan een veel kleinere hoeveelheid al schadelijk zijn. „Ik
krijg zelfs al last als Martijn ’s middags een boterham met
pindakaas eet en mij ’s avonds een kus geeft”, vertelt
Odinot.
Odinot en Jansen wisten al
lang van tevoren van de nieuwe Europese richtlijn omtrent etikettering
van voedingsproducten waarbij fabrikanten alle bestanddelen, hoe
klein ook, moeten vermelden. „Ik dacht dat het het ei van
Columbus zou zijn”, zegt Odinot. „Dat ik gewoon in de
winkel op een product zou kunnen lezen of ik het wel of niet kan
eten.”
Vlak na het begin van het nieuwe
jaar moesten Odinot en Jansen helaas terugkomen van hun optimisme.
Bij het boodschappen doen merkte Jansen dat de nieuwe productinformatie
niet klopte. „Ik zag dat er op een pakje ham stond dat het
koemelkvrij was. Maar ik wist dat Geralda van die ham wel een keer
ziek was geworden.”
Jansen nam meteen contact op
met Albert Heijn. De supermarktketen stelde zelf een onderzoek in
en er bleken meer verpakkingen niet te kloppen. Albert Heijn moest
dertien artikelen uit de schappen halen en plaatste grote advertenties
om te waarschuwen voor de foute verpakkingen. „Ze hebben het
heel snel en goed opgelost”, vindt Jansen.
De omgekeerde situatie vindt
Odinot vervelender: „Er zijn producten die ik eerst wel kon
eten, waar nu op staat dat er ingrediënten in kunnen zitten
die ik niet kan eten.” Ze vertelt dat ze nog maar één
soort brood kan eten. Op alle andere varianten staat dat ze ‘sporen
van noten kunnen bevatten’. Van de tweehonderdvijftig soorten
vleeswaren die Albert Heijn verkoopt, kan ze er nog maar een paar
eten. In de rest is melk verwerkt.
Jansen heeft er wel een verklaring
voor dat in Nederland in het vlees vaak melk zit. „Melkproducten
zijn goedkoop in deze contreien, omdat ze in overvloed beschikbaar
zijn. Maar ja, als dat overal in zit, zie je dat ook meer mensen
allergisch worden. In Azië komt rijstallergie veel voor.”
Odinot en Jansen zijn inmiddels
bij het schap met de koekjes aanbeland. Alle soorten Sultana’s
en Evergreens zijn voor haar niet weggelegd, omdat er sporen van
noten in kunnen zitten. „Die zijn dus allemaal van dezelfde
band komen rollen”, zegt Odinot. „Ik vind het zo irritant
dat er altijd op staat ‘kan sporen bevatten van’ het
een of het ander. Je hebt geen dan nog geen idee van hoe groot de
kans is dat de stof er ook echt in zit en in welke mate. Fabrikanten
dekken zich op deze manier gewoon in. Ze kunnen of durven niet te
garanderen dat het er niet in zit, dus zetten ze maar op een product
dat het sporen kan bevatten van een bepaalde stof.” Jansen
is het met haar eens: „Je zou willen dat een fabrikant er
gewoon op zet ‘deze stof zit er niet in, dat garandeer ik
u, daar sta ik voor’, nu nemen ze het zekere voor het onzekere.”
Toch zijn er in de winkel ook
veel producten te vinden waar de nieuwe witte icoontjes op prijken
die aangeven dat het product koemelk- of glutenvrij is. Jansen pakt
een potje appelmoes met beide icoontjes erop. „Ja, zo kan
ik het ook, natuurlijk zit het hier niet in”, zegt Jansen.
„Ik was heel enthousiast over die symbooltjes, maar als ze
ze hier op gaan zetten, begin ik toch te denken dat het misschien
ook wel een mooie marketingtruc is.”
Maar hoe moet het dan wel?
Jansen: „Ze zouden producten moeten maken, speciaal voor allergische
mensen. Eigenlijk is het een gat in de markt. 1 tot 2 procent van
de Nederlanders is allergisch. Sterker nog: niet-allergische mensen
zouden het vast ook niet erg vinden om vleeswaren te eten waar geen
melk in is verwerkt.”
Fabrikanten moeten het op de
verpakking van een product vermelden als dit één of
meer van twaalf allergene stoffen bevat, hoe klein de hoeveelheid
ook. Voorbeelden zijn gluten, melkproducten, noten, schaal- en schelpdieren.
Voorheen hoefden fabrikanten ingrediënten alleen te vermelden
als ze meer dan 25 procent van het product uitmaakten. Voor mensen
met een voedselallergie kan een veel kleinere hoeveelheid al levensgevaarlijk
zijn. In Nederland heeft tussen de 1 en 2 procent van de volwassen
een voedselallergie; bij kinderen ligt dat rond de 7 procent. Ineke
van Berkel (Stichting Voedselallergie): „Een stap vooruit,
maar mensen met een voedselallergie kunnen ook extra beperkt raken
als fabrikanten op al hun producten gaan zetten dat ze sporen kunnen
bevatten van allergene stoffen.” Albert Heijn zegt dat er
mogelijk producten komen voor allergische mensen.
Persbericht
Elidel vergoed per 1 juni 2004
Arnhem, XX mei 2004. Het ministerie
van VWS heeft toch besloten om Elidel per 1 juni 2004 volledig te
vergoeden. VWS heeft aangegeven dat zij zich nog beraadt op mogelijke
aanvullende voorwaarden voor vergoeding. De inhoud van en tijdstip
waarop deze mogelijke voorwaarden vastgesteld worden zijn niet bekend
gemaakt. Novartis Pharma is opgetogen over deze beslissing omdat
er voor patiënten met eczeem nu een innovatieve therapie volledig
vergoed ter beschikking komt.
De aanvraag om Elidel in het verstrekkingenpakket
op te nemen is vorig jaar ingediend. In maart van dit jaar maakte
het ministerie van VWS aanvankelijk bekend Elidel niet te willen
vergoeden. Onder druk van bezwaren van onder andere Novartis Pharma
heeft het Ministerie van VWS besloten om Elidel per 1 juni 2004
op te nemen in de Regeling Farmaceutische Hulp.
Elidel is een innovatief hormoonvrij geneesmiddel
voor de behandeling van eczeem bij patiënten met mild tot matig
eczeem. Het product kan worden voorgeschreven aan volwassenen en
kinderen vanaf 2 jaar voor de kortdurende symptomatische behandeling
en voor de intermitterende onderhoudsbehandeling om exacerbaties
(verergering van de aandoening) te voorkomen.
Voedselprovocatie unit in Groningen (juni
2004)
Voedselallergie is een groeiend
probleem, vooral bij kinderen. Toch is de prevalentie minder hoog
dan tot voor kort werd gedacht, zo bleek uit onderzoek van het Academisch
Ziekenhuis Groningen. Sinds een paar jaar worden kinderen daar,
in het Centrum voor Kinderallergologie, op voedselallergie getest
met behulp van de dubbeiblinde testmethode. Dat levert aanzienlijk
minder positieve uitslagen op dan via de traditionele testmethode
waarbij vooraf bekend is dat een voedingsmiddel allergeen bevat.
‘Van de driejarigen scoort 28 procent positief na de traditionele
test, terwijl dat na onze dubbelblinde test maar 8 procent is’,
vertelt Ewoud Dubois, inter nist-allergoloog in het AZG. Hij was
nauw betrokken bij de opzet van de voedselprovocatie-unit. De praktijk
zelf bracht hem en zijn collega’s op het idee om de dubbelblinde
test te gaan gebruiken. ‘We zagen steeds meer kinderen met
voedselproblemen. Een mogelijke voedselallergie zorgt voor veel
onzeker heid bij kinderen en ouders. We zochten naar een manier
om die onzekerheid te reduceren en om meer betrouwbare uitspraken
te kunnen doen over de vraag of de ldachten al dan niet worden veroor
zaakt door een allergie, want een voedselallergie heeft doorgaans
een grote impact op het leven van een kind. We hebben toen een plan
voor een doelma tigheidsproject geschreven. Dat is goedgekeurd en
daarna konden we de voedselprovocatie-unit opzet ten.’
Een proef met dubbelblinde allergietesten in een voedselprovocatie-unit
in hetAZG is zo succes vol gebleken dat de methode nu wordt toegepast
bij het merendeel van de kinderen met voedsel allergieklachten.
’We hebben onze diagnostiek verbeterd en de kwaliteit van
zorg is toegenomen. Dat is enorm motiverend voor alle betrokkenen’,
zegt internist-allergoloog Ewoud Dubois.
Veiligheid
De opzet van het project en daarmee van de unit was een organisatorische
uitdaging. Bij elkaar zijn zo’n twintig mensen direct betrokken
bij de unit. Allereerst vertegenwoordigers van vijf specialismen:
naast allergologie ook algemene kindergeneeskunde, kindergastro,
kinderlong ziekten en dermatologie. Verder een research- diëtiste,
een ervaren functieassistent en natuurlijk de ziekenhuiskeuken.
Niet alleen vergde het project de nodige afstemming door de deelname
van al die verschillende professies, ook aan allerlei randvoorwaarden
moest worden voldaan.
Dubois: ‘Het eerste dat we hebben gedaan is het garanderen
van de veiligheid van de provocaties. Alle betrokkenen plus de IC
moeten direct oproepbaar en beschikbaar zijn voor het geval er complica
ties optreden als gevolg van de test. Niet dat we daar bang voor
zijn. Er wordt weleens gezegd dat je met de dubbelblinde testmethode
risico neemt, maar wanneer je voldoende veiligheidsmaatregelen inbouwt,
ben je niet onverantwoord bezig. In de Verenigde Staten worden de
dubbelblinde testen veel toegepast en daar zijn ze nog nooit slecht
afge- lopen. Behalve dat de IC en de betrokken specialis men stand-by
moeten zijn, is het belangrijk om een goede anamnese af te nemen.
Aan de hand daarvan en aan de hand van een RAST en een huidtest
gaan we zo goed mogelijk na bij hoeveel allergeen er problemen ontstaan.
Verder stoppen we zodra een kind klachten krijgt. Zijn we vooraf
heel bezorgd, dan brengen we alleen wat voedsel aan op de lip. We
zijn enthousiast over de nieuwe werkwijze. We hebben onze diagnostiek
verbeterd en de kwaliteit van zorg is toegenomen. Dat is enorm motiverend.’
Voorproevers
Volgens Dubois heeft het AZG ‘de best gevalideerde recepten
ter wereld’. Ze zijn ontwikkeld door de researchdiëtiste
die haar promotieonderzoek aan dit onderwerp wijdt. De bereiding
van de recepten moet uitermate zorgvuldig gebeuren, want het allergeen
mag niet aangetast worden. ‘En natuurlijk mag er geen enkel
verschil zijn tussen de voedingsmiddelen met en zonder allergeen.
Smaak, kleur, vorm en consistentie moeten identiek zijn. Daar is
veel creativiteit voor nodig Een voorbeeld? Je kunt synthetische
zonder eiwit gebruiken om een placebo voor het testen van pinda-allergie
een pindageur te geven.’ De voedingsmiddelen worden eerst
getest door vrijwilligers, daarna door testproevers van het voedsel-
laboratorium van de Hanzehogeschool Groningen.
‘De testproevers mogen niet roken en mogen vooraf geen koffie
hebben gedronken of andere uitgesproken voedingsstoffen hebben genuttigd.
Dat laborato rium werkt ook in opdracht van de voedingsindustrie.
De ruimten zijn er geurvrij’, aldus Dubois. Verder is het
de kunst om de voedingsmiddelen aan te passen aan wat kinderen aankunnen.
‘Je raakt aan een volwassene al niet makkelijk een hap pindakaas
kwijt, laat staan aan kinderen. Ook op dat vlak moet de diëtiste
creatief zijn.’
Database
Kinderen die de voedselprovocatie-unit bezoeken, worden een paar
maal gezien door de allergoloog en komen twee keer een ochtend voor
de provoca tie. In het testprogramma is een placebodag opge nomen.
Dubois: ‘Zouden we dat niet doen, dan zou dertig procent van
de testuitslagen vals-positief zijn.’ Het grillige karakter
van allergieën is debet aan dat verschijnsel. Kinderen met
een pinda-allergie worden na een aantal jaren opnieuw getest om
de diagnose te bevestigen. ‘Als de uitslag dan weer positief
is, krijgen ze een levenslang eliminatieadvies.’ Herhaling
van de test houdt mensen ook alert en heeft een positief effect
op de motivatie om het dieet vol te houden. ‘Dat is belangrijk,
want deze allergieën kunnen immers zeer heftige reacties oproepen.’
Er worden in het AZG zo’n honderd kinderen per jaar getest.
De internist-allergoloog: ‘Dat is veel, maar tot nu toe hoeven
we niet al te selectief te zijn. Voordeel daarvan is ook dat we
veel ervaring opdoen.’ Alle gegevens worden opgeslagen in
een elektronische database. ‘Dat wordt een waardevolle informatiebron.
Over twee of drie jaar kunnen we wellicht zeggen welke kinderen
we niet hadden hoe ven testen en bij welke kinderen het per definitie
nodig was.’ Maar daarmee zijn nog lang niet alle vragen rond
allergie beantwoord. ‘Veel mensen reageren voor meerdere voedingsmiddelen
positief op een huidtest en/of een RAST, maar niet al die voedings
middelen leveren klachten op. We willen graag weten hoe dat komt.
En het liefst zouden we natuurlijk zien dat de database ons zodanige
informatie verschaft dat we op grond daarvan de dubbelblinde provocatietest
kunnen vervangen door een gerichte immunologische test.
Recepten
HetAZG heeft recepten ontwikkeld voor het dubbelblind testen van
een aantal veel voorkomende voedselallergieën, en wel allergieën
voor koemelk, kippenei, soja, pinda, noten, tarwe, vis, schaal-
en schelpdieren. De recepten zijn verschenen in het februari-nummer
van journal of Al!ergy & Clinical Immuno!ogy.
AZG opent Centrum voor Kinderallergologie
10 december 2003 Het Academisch Ziekenhuis Groningen opent een Centrum
voor Kinderallergologie en de daarbij horende Voedselprovocatie
Unit (VPU). Zowel het centrum voor Kinderallergologie als de Voedselprovocatie
Unit is al twee jaar operationeel. Op vrijdag 12 december wordt
aandacht besteed aan de goede resultaten tot nu toe en vindt een
eendaags symposium plaats in het AZG met een veelzijdig programma
voor alle zorgverleners die te maken hebben met kinderen met een
(voedsel)allergie.
Allergische ziektes vormen een groeiend probleem in de kindergeneeskunde.
Dit geldt vooral voor voedselallergie, een aandoening met soms een
grote medische en sociale impact op zowel het kind als het gezin.
Het nieuwe Centrum heeft als doel multidisciplinaire zorg te bieden
voor allergische kinderen en richt zich in het bijzonder op kinderen
met een voedselallergie. Het Centrum is daarom een samenwerkingsverband
tussen een groot aantal afdelingen van het AZG.
Binnen het Centrum is de VPU verantwoordelijk
voor het stellen van de juiste diagnose voor voedselallergie. Dit
gebeurt door het kind kleine hoeveelheden van de stof te geven waar
het vermoedelijk allergisch voor is. Deze testmethodiek heet voedselprovocatie.
Het bijzondere aan de werkwijze binnen de VPU is dat hij dubbelblind
wordt uitgevoerd. Dat wil zeggen dat zowel het kind, als zijn verzorger
en de onderzoeker niet weten of de allergene stof in het voedsel
zit. Dit betekent onder andere dat het kind geen verschil mag kunnen
proeven. Deze werkwijze vermindert de kans op toevallig optredende
klachten en onbewuste beïnvloeding van de testresultaten waardoor
de resultaten betrouwbaarder zijn. Ervaringen tot dusverre laten
zien dat de diagnose voedselallergie in ongeveer een derde van kinderen
ten onrechte gesteld wordt als niet op de dubbelblinde manier gewerkt
wordt. Er zijn in twee jaar meer dan 200 dubbelblinde tests verricht.
De VPU werkt als enige in Nederland op deze schaal met de dubbelblinde
test.
Centrum voor
Kinderallergie (de Telegraaf, juni 2003):
Het Universitair Medisch
Centrum (UMC) in Utrecht opent deze week als eerste ziekenhuis in
ons land een centrum voor kinderallergie.
Een kind met voedselallergie,
eczeem, allergie van de luchtwegen of voor bijvoorbeeld insectenbeten
kan terecht in het Wilhelmina Kinderziekenhuis. Meer dan 10% van
de kinderen in Nederland heeft een of andere vorm van allergie.
Vaak hebben zij meer problemen. Zo hebben kinderen met eczeem meestal
ook een voedselallergie en meer kans op astma.
Volgens kinderarts M. Hoekstra
gebeuren er spannende dingen op het terrein van preventie. Zo wordt
onderzocht of het verstrekken van specifiek bacterieen aan zwangere
vrouwen het afweersysteem van een kind kan vergroten. "En misschien
kan immunotherapie bij kinderen met hooikoorts er toe leiden dat
ze geen of minder ernstig astma ontwikkelen".
Citaat
Allergoloog Dr. De Groot in Libelle nr 24/2002:
"Veel mensen denken dat allergietesten niet geschikt zijn voor
babies. Maar dat is een misverstand. Met een bloedtest kunnen de
belangrijkste allergieën worden opgespoord. Liever gebruiken
we de huidtest.....In de praktijk blijkt de huidtest nauwkeuriger
en minder belastend voor het kind."
Jarenlang werd gedacht dat ook de toenemende luchtvervuiling iets
te maken had met het meer voorkomen van allergische klachten bij
kinderen. Dat dit niet het geval is, werd onder andere duidelijk
na de val van de Berlijnse muur. Toen bleek dat allergie onder Oost
Duitse kinderen veel minder vaak voorkwam dan onder West Duitse,
terwijl de luchtverontreiniging in het voormalige Oostblok berucht
was. Na de eenwording nam allergie explosief toe. Daaruit is wel
een andere conclusie te trekken: namelijk dat allergie een echte
welvaartsziekte is.
Dr. De Groot bevestigt dat allergie met de westerse levensstijl
te maken heeft. "De verklaring die nu het meest waarschijnlijk
lijkt, is dat het afweersysteem van kinderen in de moderne landen
weinig te doen heeft. Omdat kinderen steeds minder infecties en
ziekten doorlopen, gaat het afweersysteem op zoek naar iets om te
doen en reageert zodoende op stoffen die niet ziek maken."
De welvaart neemt alleen maar toe, zullen over een tijdje alle kinderen
met allergieën te maken krijgen? De Groot denkt van niet. "Momenteel
wordt er internationaal onderzocht hoe we door middel van een vaccin
het afweermechanisme weer in het gareel kunnen krijgen. Waarschijnlijk
zal er voor babies weer een prik bijkomen. Tegen allergie."
Naar boven... |