| Overzicht
gebruikte termen
Allergeen
= stof die een allergische reactie opwekt.
Allergie =
'andere' reactie waarbij het afweer/immuunsysteem antistoffen vormt
tegen onder andere allerdaagse stoffen.
Anafylactie
= een levensbedreigende allergische reactie. Zie ook hoofdstuk 'anafylaxie'
Antihistaminica
= medicijnen die de prikkelende werking van histaminica ongedaan
maken
Atopie = een
erfelijke aanleg voor het krijgen van allergische aandoeningen.
Constitutioneel eczeem
= een erfelijke vorm van eczeem gerelateerd aan allergie.
Eczeem = ontstekingsreactie
van de huid
Eliminatie
= het weglaten van een verdacht voedingsmiddel uit de voeding.
EpiPen = een
autoinjector, waarmee in geval van anafylactische reactie zelf adrenaline
toegediend kan worden, zodat men tijd wint om zo snel mogelijk naar
de EHBO te gaan
Histamine
= stof die vrijkomt en allergische reactie veroorzaakt
Hydrolysaat
= voorverteerde (melk).
Hypoallergene
melk = een melk waarbij de eiwitten in stukjes
voorverteerd/verknipt zijn, waardoor ze vaak wel verdragen worden.
Dit proces wordt ook wel hydrolysatie genoemd.
IgE = antistoffen
Immuunsysteem
= afweersysteem, dit vormt normaal antistoffen tegen virussen en
bacteriën
Intolerantie
= overgevoelige reactie waarbij het afweersysteem niet betrokken
is.
Kruisallergie
= allergie die een andere allergie op gang brengt
PRIK test
= huidtest waarbij extract van het verdachte allergeen op de huid
wordt gespoten
Provocatie/belasting
= het (opnieuw) geven van voedingsmiddelen waarop iemand vermoedelijk
reageert. Dit gebeurt in kleine hoeveelheden en liefst onder medisch
toezicht.
RAST test
= radio allegro sorbent test, bloedtest waarbij aan de hand van
radioactieve stoffen bepaalde allergenen zichtbaar gemaakt kunnen
worden (o.a. IgE waarden).
Shock = het
verwijden van bloedvaten waardoor de bloeddruk gevaarlijk daalt
en iemand bewusteloos kan raken. Shock kan levensgevaarlijk zijn.
Voedselovergevoeligheid
= verzamelnaam voor zowel voedsel allergie als voedsel intolerantie.
Naar boven...
|