T0= nagaan wat je al weet voorafgaand aan het werken aan dit hoofdstuk; T1= nagaan wat je weet voorafgaand aan de groepsopdracht; T2= nagaan wat je weet voorafgaand aan het proefwerk. |
T0 |
T1 |
T2 |
|
|
Nr. |
Aan het eind van dit hoofdstuk moet je: |
|
|
|
|
5.1 |
De definitie of eigenschappen en bijbehorende eenheden van de volgende begrippen kunnen noemen /opschrijven: Rechtlijnige voortplanting,
lichtstraal, divergerend,
convergerend, evenwijdig, normaal, hoek van
inval, hoek van terugkaatsing, hoek van breking, beeld, voorwerp, (diffuse
en spiegelende) terugkaatsing, absorptie, beeldconstructie, virtueel
beeld, reëel beeld, breking, prisma, spectrum, totale terugkaatsing,
grenshoek, holle (negatieve) lens, bolle (positieve) lens, optisch
middelpunt, hoofdas, bijas, (hoofd) brandpunt, bijbrandpunt,
brandvlak, brandpuntsafstand, voorwerpsafstand, beeldafstand, lineaire
vergroting, accommodatievermogen, nabijheidsafstand, loep, ultrasoon
geluid, microfoon, (geluids)trilling, frequentie, echogram,
echoscopie |
|
|
|
|
5.2 |
De
eigenschappen van lichtstralen kunnen noemen zoals rechtlijnige
voortplanting.
|
|
|
|
|
5.3 |
Kunnen
beschrijven wat er gebeurt met lichtstralen bij terugkaatsing, breking (bij
doorlaten) en absorptie.
|
|
|
|
|
5.4 |
De
divergerende werking van een negatieve lens en de convergerende werking van
een positieve lens aan de hand van een schets kunnen beschrijven.
|
|
|
|
|
5.5 |
Het
beeld kunne construeren bij een positieve lens.
|
|
|
|
|
5.6 |
Kunnen
herkennen wanneer er sprake is van een reëel beeld dan wel virtueel beeld.
|
|
|
|
|
5.8 |
De
formules kunnen opschrijven van de terugkaatsingwet,
de brekingswet,
de lenswet
en de lineaire
vergrotingswet.
|
|
|
|
|
5.9 |
De beeldvorming van het
oog kunnen beschrijven.
|
|
|
|
|
5.10 |
De
werking van de loep kunnen beschrijven.
|
|
|
|
T0= nagaan wat je al weet voorafgaand aan het werken aan dit hoofdstuk; T1= nagaan wat je weet voorafgaand aan de groepsopdracht; T2= nagaan wat je weet voorafgaand aan het proefwerk. |
T0 |
T1 |
T2 |
|
|
Nr. |
Leerdoel |
T0 |
T1 |
T2 |
|
6.1 |
Aan het eind van dit hoofdstuk moet je: |
|
|
|
|
6.2 |
De
definitie of eigenschappen en bijbehorende eenheden van de volgende begrippen
kunnen noemen en opschrijven:
Vaste, vloeibare en
gasvormige fase; molecuultheorie;
temperatuur;
Celsiusschaal; Kelvinschaal; absolute temperatuur; warmte;
warmtetransport;
geleiding; stroming; straling; isolatie;
warmtegeleider;
soortelijke
warmte; joulemeter; warmtecapaciteit;
rendement; basaal
metabolisme; warmtehuishouding van het lichaam. |
|
|
|
|
6.3 |
Twee
kenmerken in het gedrag
van moleculen kunnen noemen in de drie fasen.
|
|
|
|
|
6.4 |
Aan
de hand van een voorbeeld het
verschil tussen warmte en temperatuur kunnen aangeven.
|
|
|
|
|
6.5 |
Voorbeelden
van warmtetransport kunnen beschrijven.
|
|
|
|
|
6.6 |
Voorbeelden van isolatie kunnen beschrijven.
|
|
|
|
|
6.7 |
De formules
kunnen opschrijven voor de energiebalans bij warmte-uitwisselingsprocessen.
|
|
|
|