T0= nagaan wat je al weet voorafgaand aan het werken aan dit hoofdstuk; T1= nagaan wat je weet voorafgaand aan de groepsopdracht; T2= nagaan wat je weet voorafgaand aan het proefwerk. |
|
|
|
|
|
Nr. |
Leerdoel |
T0 |
T1 |
T2 |
|
1.1 |
De betekenis van woorden en/of begrippen uit de
natuurkunde kunnen opzoeken in het Kernboek via het
register. |
|
|
|
|
1.2 |
Uitkomsten van opgaven kunnen opzoeken in lijst van
uitkomsten. |
|
|
|
|
1.3 |
Antwoorden op de vragen kunnen opschrijven/noemen nadat
de tekst bestudeerd is. |
|
|
|
|
1.4 |
Opgaven kunnen maken aan de hand van tips uit de Leerlingenhandleiding. |
|
|
|
|
1.5 |
Opgaven kunnen nakijken en corrigeren aan de hand van
het Uitwerkingenboek (op school tijdens les aanwezig). |
|
|
|
|
1.6 |
De betekenis van de opdrachten 'bereken,
bepaal, construeer, teken,
schets,beschrijf,bespreek, leg uit en geef een toelichting'
kunnen noemen en opschrijven |
|
|
|
|
1.7 |
Het verschil tussen kwalitatief waarnemen en
kwantitatief waarnemen kunnen noemen/opschrijven. |
|
|
|
|
1.8 |
Een eigenschap van een grootheid kunnen
noemen/opschrijven en de bijbehorende eenheid kunnen noemen/opschrijven. |
|
|
|
|
1.9 |
Een meetinstrument kunnen aflezen en het resultaat
kunnen noemen/opschrijven met een getal en de correcte eenheid |
|
|
|
|
1.10 |
De
basisgrootheden en grondeenheden kunnen noemen/opschrijven en de
symbolen/afkortingen kunnen noemen/opschrijven |
|
|
|
|
1.11 |
De betekenis van de machten van 10
kunnen noemen/opschrijven. |
|
|
|
|
1.12 |
Grote en kleine getallen kunnen opschrijven met machten
van 10 |
|
|
|
|
1.13 |
Machten van 10 kunnen invoeren in de (grafische)
rekenmachine en kunnen aflezen |
|
|
|
|
|
|
T0 |
T1 |
T2 |
|
1.14 |
De betekenis van
voorvoegsels, al bijvoorbeeld kilo-, micro-, mega-,
kunnen noemen/opschrijven en de symbolen/afkortingen van de voorvoegsels
kunnen opschrijven (zie ook BINAS) |
|
|
|
|
1.15 |
Factoren/omstandigheden
kunnen noemen die de nauwkeurigheid van metingen bepalen |
|
|
|
|
1.16 |
Het resultaat van
een meting kunnen opschrijven met een verantwoord aantal significante
cijfers en met de bijbehorende marge/meetonzekerheid. |
|
|
|
|
1.17 |
De vuistregels
voor berekeningen juist gebruiken en de uitkomsten van berekeningen met het
juiste aantal significante cijfers kunnen opschrijven. |
|
|
|
|
1.18 |
Een diagram kunnen
maken aan de hand van een tabel met meetresultaten en daarbij een
verantwoorde schaalverdeling langs de assen gebruiken, de grootheden en de
eenheden langs de assen noteren en een vloeiende kromme of rechte lijn tussen
de meetpunten trekken. |
|
|
|
|
1.19 |
In een diagram
waarden kunnen bepalen door interpolatie en/of
extrapolatie. |
|
|
|
|
1.20 |
De steilheid van
een rechte lijn kunnen bepalen en met behulp van een (gegeven) formule kunnen
opschrijven aan welke grootheid/heden of constanten de waarde van de
steilheid moet worden toegekend. |
|
|
|
|
1.21 |
In een gegeven
diagram de raaklijn
aan een kromme kunnen tekenen. |
|
|
|
|
1.22 |
Kunnen uitleggen
wat het verschil is tussen de richtingscoëfficiënt en de steilheid van een
rechte |
|
|
|
|
1.23 |
Gegevens en
formules kunnen opzoeken in BINAS. |
|
|
|
T0= nagaan wat je al weet voorafgaand aan het werken aan dit hoofdstuk; T1= nagaan wat je weet voorafgaand aan de groepsopdracht; T2= nagaan wat je weet voorafgaand aan het proefwerk. |
|
|
|
|
|
Nr. |
Leerdoel |
T0 |
T1 |
T2 |
|
2.1 |
De definitie of eigenschappen en bijbehorende eenheden
van de volgende begrippen kunnen noemen en opschrijven; Afgelegde weg, tijdsinterval, snelheid, gemiddelde
snelheid, snelheidsverandering, versnelling, eenparige rechtlijnige beweging,
eenparig versnelde beweging,, valbeweging, plaats-tijddiagram,
snelheid-tijddiagram,
versnelling-tijddiagram,
snelheidsfunctie, plaatsfunctie, raaklijn en steilheid, horizontale
worp |
|
|
|
|
2.2 |
De computer met een meetprogramma (zoals Coach Junior),
de stroboscoop met een stroboscopische foto en de tijdtikker met een
tikkerband kunnen noemen als instrumenten voor het registreren en onderzoeken
van bewegingen |
|
|
|
|
2.3 |
De tijdtikker in een practicum kunnen gebruiken om een
beweging te registreren. |
|
|
|
|
2.4 |
Uit een (gegeven) tikkerband de plaats of afgelegde
weg, de snelheid als functie van de tijd en de versnelling kunnen berekenen
of bepalen en de bijbehorende diagrammen kunnen maken. |
|
|
|
|
2.5 |
In een diagram een raaklijn kunnen tekenen aan een
kromme en daarvan de steilheid kunnen bepalen en het resultaat kunnen
weergeven met een getal en de correcte eenheid. |
|
|
|
|
2.6 |
De formules kunnen (opzoeken en) opschrijven van de
verplaatsing als functie van d etijd en de snelheid als functie van de tijd
passend bij de beweging. |
|
|
|
|
2.7 |
De betekenis kunnen noemen/ opschrijven van de volgende
symbolen: v, vgem , t, s(t), ∆t, s(0), v(0), a,
g, m.s-1, s, m, m.s-2 |
|
|
|
|
2.8 |
Een s(t)-diagram, een (v,t)-diagram en een
(a,t)-diagram kunnen tekenen passend bij de beweging |
|
|
|
|
2.9 |
Uit een gegeven (s,t)-diagram gegevens kunnen aflezen;
uit een (s,t)-diagram de snelheid kunnen bepalen met behulp van een raaklijn. |
|
|
|
|
2.10 |
Uit een gegeven (v,t)-diagram gegevens kunnen aflezen;
uit een (v,t)-diagram de afgelegde afstand (verplaatsing) kunnen bepalen met
behulp van de oppervlakte en de versnelling kunnen bepalen met behulp van een
raaklijn. |
|
|
|
|
2.11 |
Opgaven schriftelijk of mondeling kunnen oplossen door gebruik te
maken van één of meer van de volgende formules: s(t)= v.t vgem=∆x/∆t a=∆v/∆t v(t)= a.t s(t)= ½.a.t2 s(t)= ½.g.t2 v(t)=g.t sx(t) = v.t sy(y)= ½.g.t2 |
|
|
|
T0= nagaan wat je al weet voorafgaand aan het werken aan dit hoofdstuk; T1= nagaan wat je weet voorafgaand aan de groepsopdracht; T2= nagaan wat je weet voorafgaand aan het proefwerk. |
T0 |
T1 |
T2 |
|
|
Nr. |
Aan het eind van dit hoofdstuk moet je: |
|
|
|
|
3.1 |
De
definitie en de eigenschappen en bijbehorende eenheden van de volgende
begrippen kunnen noemen en opschrijven:
Vector, aangrijpingspunt, somvector, resultante of resulterende vector, component, massa, zwaartekracht, normaalkracht, veerkracht, spankracht, schuifwrijving, rolwrijving, luchtwrijving, luchtweerstand, (periode 2: zwaartepunt, werklijn of drager, arm van een kracht, hefboom). |
|
|
|
|
3.2 |
De
twee werkingen van een kracht
kunnen noemen
|
|
|
|
|
3.3 |
Een
kracht kunnen meten met een krachtmeter/ veerunster
|
|
|
|
|
3.4 |
Een
kracht kunnen tekenen als pijl/vector
|
|
|
|
|
3.5 |
(kracht-)
vectoren kunnen samenstellen met behulp van de kop-aan-staart
methode of de zogenaamde parallellogramconstructie
|
|
|
|
|
3.6 |
Een
(kracht-) vector kunnen ontbinden in twee (loodrecht op elkaar staande)
componenten in een tekening
|
|
|
|
|
3.7 |
Uit
twee componenten de (kracht-) vector kunnen bepalen in een constructie
|
|
|
|
|
3.8 |
De grootte
van de componenten van een (kracht-) vector kunnen uitrekenen met behulp
van de sinus en de cosinus
|
|
|
|
|
3.9 |
Uit twee
componenten de (kracht-) vector kunnen berekenen naar grootte en richting met
behulp van de stelling van Pythagoras en de tangens
|
|
|
|
|
3.10 |
Een evenwichtssituatie
met krachten kunnen herkennen
|
|
|
|
|
3.11 |
Periode 2: Draaiing van een voorwerp als werking van een moment van een kracht
kunnen herkennen of noemen
|
|
|
|
|
3.12 |
Periode 2: Toepassingen van de hefboomwet kunnen herkennen of noemen |
|
|
|
|
3.13 |
De formules
kunnen opschrijven van de eerste, de tweede en de derde wet van Newton
|
|
|
|
|
3.14 |
Periode 2: De formules kunnen opschrijven van het moment van een kracht en de momenten wet of hefboomwet
|
|
|
|
|
3.15 |
De betekenis
kunnen opschrijven/noemen van de volgende symbolen:
F, Fx, Fy, Fz, Fw, Fv, m, g, C, u, (periode 2: M, d) N, kg, m/s2 of Nm.s-2, m, Nm,m |
|
|
|
|
3.16 |
Opgaven
kunnen oplossen met behulp van één of meer van de volgende formules:
Formules van het vorige hoofdstuk: zie ook tabel 35 van het BINAS. Let op: de formules staan hier soms een ietsje anders dan dat je gewend bent. En verder: Fx = F.cosα en Fy= F.sinα, Let erop dat jouw (grafische) rekenmachine ingesteld is
op degree F=
Tan
α = Fy/Fx ΣF = 0 ΣF
= m.a Fz =
m.g Fv = C.u |
|
|
|