|
Nr. |
Leerdoelen
|
T0 |
T1 |
T2 |
|
2.1 |
De definitie en/of eigenschappen en bijbehorende
eenheden van de volgende begrippen kunnen noemen/opschrijven (om af te
strepen): Fase, vaste fase, vloeibare fase, gasvormige fase,
verdampen, condenseren, stollen, smelten, rijpen, sublimeren,
molecuultheorie, molecuulmodel, diffusie, dichtheid, temperatuur,
uitzetten/inkrimpen, absolute temperatuur, absoluut nulpunt, inwendige
energie, druk, gasdruk, metaalmanometer, luchtdruk, barometer, overdruk,
onderdruk, isobaar, bloeddruk, systolische bloeddruk, diastolische bloeddruk,
aantal mol, ideaal gas, reëel gas, gasconstante, isotherm, isochoor,
kringproces, statische druk, dynamische druk, stroomlijn, stroomsnelheid,
liftkracht, |
|
|
|
|
2.2 |
De dichtheid van stoffen kunnen opzoeken in BINAS
tabellen 8 tot en met 12 |
|
|
|
|
2.3 |
De wet van Boyle kunnen opschrijven in woorden en in
symbolen |
|
|
|
|
2.4 |
De wetten van Gay-Lusac kunnen opschrijven in woorden
en in symbolen |
|
|
|
|
2.5 |
De algemene gaswet kunnen opschrijven in woorden en in
symbolen |
|
|
|
|
2.6 |
Het verband tussen de grootheden uit de gaswetten
kunnen tekenen in een (p,V)-diagram, een (V,T)-diagram, en een (p,T)-diagram. |
|
|
|
|
2.7 |
Gegevens kunnen aflezen uit een (p,V)-diagram, een
(V,T)-diagram en een (p,T)-diagram |
|
|
|
|
2.8 |
De wet van Bernouillie kunnen opschrijven in woorden en
in symbolen. |
|
|
|
|
2.9 |
Het verschil in druk kunnen noemen als oorzaak van het
optreden van vloeistof- en gasstromen. |
|
|
|
|
2.10 |
Een experiment kunnen opzetten en uitvoeren waarbij de
wet van Bernoulli toegepast wordt. |
|
|
|
|
2.11 |
De betekenis kunnen noemen en opschrijven van d e
volgende symbolen: m, ρ, V,t,
T, F, A, p, N, n, R Kg, kg.m-3,m3, oC, K, N, m2, N.m-2, Pa, bar, mbar, hPa, mm Hg,mol, J.mol-1.K-1 |
|
|
|
|
2.12 |
Opgaven schriftelijk of mondeling kunnen oplossen door
gebruik te maken van de definities en eigenschappen van de begrippen die
besproken zijn in dit hoofdstuk en van één of meer van de volgende formules: T = t + 273; p = F.A-1; p.V=C; p.T-1=C;
p.V= n.R.T; p + ½.ρ.v2 = constant |
|
|
|
A. Afvinken leerdoelen; theorieparagrafen met de bijbehorende vragen (zie kernboek en de leerlingenhandleiding)
B. Het maken van de opgaven, (zie de opgaven in het kernboek en de studiewijzer. Gebruik ook hierbij de leerlingenhandleiding en het uitwerkingenboek).
C.
Het practicum op afspraak: één per hoofdstuk (zie achterin
leerlingenhandleiding).
Er is keuze uit de volgende practica:
2.2, 2.4; 2.8A en 2.8B
· Dit spreek je af in de groep.
· Als groep maak je een planning: aantal paragrafen gedeeld door de beschikbare tijd of aantal opgaven gedeeld door de beschikbare tijd (2 lessen per week).
· Deze afspraken worden vastgelegd in een overzicht.
Tijdsplanning
· periode 2: week 47 (21 november), week 48 (28 november), week 49 (5 december), week 50 (12 december) en week 51 (19 december).
· Laatste 2 weken worden ingezet voor practicum en groepsopdracht.
· voorbereiding SE2: week 2 (9 januari) en week 3 (19 januari) met groepsopdracht (zie overzicht schoolexamens)
· aantal lessen per week: 2 vaklessen
· Docent geeft eerste les klassikaal uitleg en introductie en verder indien dit nodig wordt geacht. De groepsopdracht en het schoolexamen worden klassikaal besproken.
· De groepen kunnen tijdens de vaklessen en het kwt-uur overleggen met de docent over vraagstukken en studieadvies.
Diagnostische toets:
· In de leerlinghandleiding is een zelftoets over dit hoofdstuk opgenomen met uitwerkingen.
Practicum:
· Verslag van practicum wordt zelfde les ingeleverd. Cijfer telt voor 20% mee als praktische opdracht in het PTA.
Groepsopdracht over hoofdstuk 2 in week 50,51:
· samen met groep werken aan relevante opdrachten als voorbereiding op schoolexamen. De beoordeling ligt tussen 0,0 en 1,0 en telt als bonus bij het schoolexamen.
Schoolexamen:
· zie PTA,
· Cijfer bedraagt, inclusief bonus, maximaal 10,0.
|
Paragraaf |
Opgaven |
Opmerkingen
|
|
2.1 |
1,
2, 3, 4, 5, 6, 7 |
Vooral opgave 7 is voor onze rekenaars een aardige
proef op de som |
|
2.2 |
8,
9, 10, 11, 12, 13 |
Waarin
verschilt het begrip temperatuur met het begrip warmte? |
|
2.3 |
14,
15, 16, 17, 18, 19 |
Interessant
in deze paragraaf zijn de toepassingen die zich om het begrip druk
verzamelen. Wat is het verschil tussen systolische en diastolische bloeddruk? |
|
2.4 |
20,
21, 22, 23, 24, 25 |
Nu
zijn de wetmatigheden van (ideale) gassen aan de beurt. Met name Boyle en
Gay- Lussac hebben zich hier verdienstelijk gemaakt. De
opgaven hebben hier nagenoeg allemaal het karakter van een eindexamenopgave. |
|
2.5 |
26,
27, |
Naast
een constante temperatuur kunnen uiteraard ook het volume resp. de druk
constant worden gehouden. |
|
2.6 |
28,
29, 30, 31, 32, 33, 34, 35, 36 |
Bij
een constante hoeveelheid gas, kunnen de drie toestandsgrootheden, druk,
volume en temperatuur in samenhang, volgens de algemene gaswet, veranderen |
|
2.7 |
37,
38 |
Deze
paragraaf en de volgende behandelen de wet van Bernoulli. Daarbij richten we
ons vooral op de toepassingen van die wet. |
|
2.8 |
39,
40 |
|
Opmerking:
Let
erop dat je naast de leerdoelenlijst ook de zelftoets kunt gebruiken om te
oefenen.
Succes met dit hoofdstuk
Sybold Berks, 19 november 2005