|
Na
een aantal anti-Nederlandse campagnes en maatregelen door Indonesië
maakte Hr. Ms. Karel Doorman, vergezeld van Hr. Ms. Limburg en Hr.
Ms. Groningen, van 31 mei tot 20 december 1960 een vlagvertoonreis
naar Nieuw-Guinea.
Op 17 augustus 1960 verklaarde president Soekarno voor de Algemene
Vergadering van de Verenigde Naties, dat de aanwezigheid van Nederland
in Nieuw-Guinea een bedreiging van de wereldvrede was, en op 5 oktober
1960 verklaarde minister-president Soebandrio: ,1 say explicity,
that Indonesia is determined to meet force with force.
In 1961 verbeterde de situatie niet. Indonesië zette haar bewapening
voort en concentreerde steeds meer onderdelen van haar krijgsmacht
nabij Nieuw-Guinea. De taal van president Soekarno werd steeds dreigender
en het zenden van infiltranten ging voort. Reeds in 1958 besloot
de Nederlandse regering de strijdkrachten van de Koninklijke marine
in Nieuw-Guinea te versterken door het zenden van eenheden van de
Koninklijke landmacht en de Koninklijke luchtmacht.
|
In 1960 namen eenheden
van de Koninklijke landmacht de posten aan de zuid- en zuidwestkust
over van de mariniers. De mariniers werden geconcentreerd op de
noordkust om als operatieve reserve te kunnen optreden. Het jaar
1962 bracht de slotfase voor Nederlands Nieuw-Guinea. Het was een
jaar van politieke en militaire strijd, dat eindigde met de overdracht
van de soevereiniteit over Nieuw-Guinea aan de Verenigde Naties
op 1 oktober 1962.
Op 1 januari 1962 bevonden zich in Nieuw Guinea: Hr.Ms. Utrecht,
Hr.Ms. Limburg, Hr.Ms. Groningen,
Hr.Ms. Evertsen, Hr.Ms. Kortenaer, Hr.Ms. Snellius, 3 dregboten,
2 sleepboten, 7 LCPR's, 3 LT's, 6 LCA's, 36 zodiac-rubberboten en
diverse motorsloepen met in totaal 1586 man vlootpersoneel. Verder
942 mariniers en 311 man van de marineluchtvaartdienst.
Vervolg
|